De pas afgestudeerde operatieassistent Sharon Stoverink (24) loopt elke dag met een glimlach rond op haar werk in Rijnstate. ‘Ik vind het bijzonder dat ik door mijn werk onderdeel ben van het genezingsproces van een mens’, vertelde ze in de Operationeel van juli 2024. Lees hieronder het interview met Sharon. (tekst: Judith Bouwels; foto: Ivonne Zijp)
Wanneer ben je begonnen aan de opleiding tot operatieassistent?
‘In september 2021. Ik ben in de zomer van 2024 afgestudeerd, na een heel afwisselende en leerzame periode van drie jaar.’
Hoe wist je dat operatieassistent wilde worden?
‘Hiervoor heb ik verpleegkunde gestudeerd en heb ik vooral in de gehandicaptenzorg gewerkt. Ik wist toen al dat ik het vak van verpleegkundige leuk vond, maar dat het niet mijn einddoel was. Ik wilde niet de rest van mijn loopbaan dat werk blijven doen. Toen er in het Streekziekenhuis Koningin Beatrix in Winterswijk een open dag werd georganiseerd, nam ik een kijkje in het ziekenhuis. Er was een rondleiding door het hele ziekenhuis, waaronder het OK-complex. Ik was toen heel benieuwd naar wat zich op de OK afspeelt. Die nieuwsgierigheid is gebleven. Toen ik klaar was met de opleiding tot verpleegkundige ben ik ervoor gegaan door te solliciteren op de functie van operatieassistent in opleiding.’
Wat vind je leuk aan het vak?
‘Ik vind het menselijk lichaam heel erg interessant, met alles wat erin speelt. Verder vind ik het bijzonder dat ik door mijn werk onderdeel ben van het genezingsproces van een mens. Zowel bij grote als kleine dingen. Bij bijvoorbeeld een tumor is het mooi om te weten dat je deel uitmaakt van iemand beter maken, maar ook bij bijvoorbeeld een gebroken enkel is het belangrijk dat iemand op de OK zo snel en zo goed mogelijk terechtkan.’
Wat vind je minder leuk?
‘Dat er ook mensen zijn die overlijden op de OK. Dat is echt niet leuk. Gelukkig gebeurt het niet vaak. Als het gebeurt, is dit voornamelijk in avond- en nachtdiensten. Ik ben pas net afgestudeerd en studenten mogen geen diensten draaien, dus ik heb dit zelf nog niet meegemaakt. Ik zie natuurlijk wel wat het met collega’s doet als een patiënt sterft. Dat is absoluut een minder leuke kant aan het vak.’
Hoe ziet een gemiddelde werkdag van een student eruit?
‘Die is per leerjaar verschillend. In het eerste leerjaar is alles nieuw. Toen was ik na werktijd nog druk bezig met theoretische voorbereidingen voor de dag erna. Ook werk voor school moet in de avonduren gedaan worden. In het derde leerjaar heb je als student veel schoolzaken afgerond; ik was toen vooral bezig met operaties voorbereiden. Elk studiejaar is druk, maar elk op een andere manier. In het eerste jaar lag de focus vooral op omlopen, in het derde jaar deed ik dat al tijdens operaties en lag de focus op assisteren. Ook stelde ik in mijn derde jaar veel gerichtere vragen, kon ik verder vooruitdenken en wist ik wat ik nodig had en wat er van mij verwacht werd.’
Welk specialisme is je favoriet?
‘Ik vind urologie het leukst, omdat je daar werkt met veel verschillende apparaten en instrumentarium, zoals de laser, lithoclast, verschillende maten voerdraden, scopen, baskets enzovoort. Deze veelzijdigheid spreekt mij erg aan, andere specialismen hebben meer gespecialiseerde ingrepen. Algemene chirurgie vind ik ook een leuk specialisme, net als het instrumenteren bij spoedsectio’s.’
Wat merk je zelf van het landelijke tekort aan operatieassistenten?
‘Dat ik als student in het derde leerjaar minder boventallig stond dan in tijden zonder tekorten. Natuurlijk staat de veiligheid van een patiënt altijd voorop. Ik stond als student alleen niet-boventallig bij ingrepen die ik al goed kende en nooit bij hoogcomplexe situaties. We hebben gelukkig onlangs meerdere nieuwe collega’s erbij gekregen.’
Waarom zouden mensen volgens jou de opleiding tot operatieassistent moeten gaan volgen?
‘Omdat het een heel vet beroep is! Als mensen twijfelen of nieuwsgierig zijn, moeten ze sowieso eens meekijken op de OK. Het beeld van operatiekamers dat je kent uit films of series klopt helemaal niet. Er is geen strenge hiërarchie waarin chirurgen boemannen zijn. Je moet het zelf beleven, meekijken en dan je eigen mening vormen. Je merkt vrijwel meteen of het iets voor jou is of niet.’
Hoe is de sfeer op de OK in Rijnstate?
‘Ik vind het in Rijnstate heel gezellig. Het is een groot complex, met vijftien OK’s. Het leuke van leerling zijn is dat in je eerste leerjaar weinig collega’s je kennen; ik kon op een vrij anonieme manier de OK leren kennen. Na een poosje gaat er een knop om: ineens wist ik hoe ik moest omlopen, mensen leerden mij kennen en ik leerde hen kennen. Toen ik wist dat ik een baan zou krijgen na de opleiding, gaf de plek me een nóg beter gevoel. En ondanks dat het een groot complex is, kent iedereen elkaar. Dat maakt het knus. We kunnen samen heel erg dollen en grappen, maar ook serieus zijn. In stressvolle situaties kan dat ervoor zorgen dat mensen heel direct zijn als dat nodig is, maar dat kunnen we hebben van elkaar. We weten wat we aan elkaar hebben.’
Wat wilde je vroeger worden?
‘Kapper! Op de middelbare school veranderde dat naar neonatologieverpleegkundige. Baby’s vind ik heel erg leuk. Ik had nooit verwacht dat ik op de OK terecht zou komen. De OK-wereld heeft me ontzettend verrast tijdens die rondleiding in het Streekziekenhuis Koningin Beatrix van een paar jaar geleden. Ik zou nu niks anders meer willen doen. Ik loop op mijn werk altijd met een glimlach rond.’
Wat zijn je toekomstplannen?
‘Ik heb vooral zin om nu lekker veel diensten te kunnen gaan draaien. Daar verheug ik me heel erg op. De sfeer is ’s avonds toch anders dan overdag. Dan werk je in een veel kleiner team en zijn er meer spoedingrepen. In 2025 ga ik drie maanden reizen, van februari tot en met mei. Dit zou ik eigenlijk vóór de opleiding al doen, maar toen werd ik aangenomen bij Rijnstate. Samen met een vriendin ga ik rondtrekken in Indonesië en de Filipijnen. Even weg van het normale (werk)leven. Daarna ga ik weer lekker aan de slag op de OK. Het werk als operatieassistent is gewoon leuk, ik vind het helemaal niet erg om daarna weer aan het werk te gaan.’