De BIG-aanvraag: wat is er al gebeurd en wat gaat er nog gebeuren?

Wat is onze gezamenlijke visie op het beroep operatieassistent?
 
Even een terugblik naar 2012, toen bovenstaande vraag gesteld werd. De LVO had het initiatief genomen voor een bijeenkomst met verschillende betrokken instanties: NVZ, NFU, CZO, NVLO.
 
Op deze bijeenkomst kwam de volgende vraag naar voren: Hoe ziet het beroep er in 2020 uit om de kwantiteit en de kwaliteit van operatieassistenten te kunnen waarborgen? Deze vraag ontstond na de publicatie van het nieuwe beroepsprofiel, maar ook door de toen actuele problematiek rondom het beroep, zoals schaarste op de arbeidsmarkt en de inzet van buitenlandse medewerkers. De LVO heeft in 2012 een actueel en op de toekomstgericht beroepsprofiel van de operatieassistent ontwikkeld. Reeds ingezette en te verwachten ontwikkelingen vereisten een herbezinning op het beroep, om zowel de kwaliteit als de kwantiteit van operatieassistenten te kunnen blijven waarborgen. Met dit beroepsprofiel had de LVO een eerste stap gezet om zich samen met de betrokken partijen hiervoor in te zetten. Erkenning van het beroep van operatieassistent en het verkrijgen van een hbo-status was hierbij een belangrijk aandachtspunt.
 
Als je naar bovenstaande terugblik kijkt, krijg je het gevoel dat er niets is veranderd. Er is nu ook een tekort aan operatieassistenten en het beroep operatieassistent is nog steeds niet in de Wet BIG opgenomen. Toch is er in de tussentijd veel gebeurd. Naar aanleiding van het beroepsprofiel zijn nieuwe eindtermen voor de opleiding vastgesteld. Daarna heeft het CZO in samenspraak met de LVO in 2013 een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheid tot niveau-inschaling van de opleiding operatieassistent. Na gesprekken te hebben gevoerd met verschillende ministeries, hogescholen en inschalingsorganisaties, kon de conclusie worden getrokken dat een procedure bij het Nationaal Coördinatiepunt NLQF (NCP NLQF) de snelste en meest kansrijke optie was. Het resultaat is dat de opleiding is ingedeeld in niveau NLQF 6 (bachelorniveau).
 
De kern van het beroep is ondertussen in de praktijk al uitgekristalliseerd, het is een specifiek beroep waarbij een steeds groter beroep zal worden gedaan op zelfstandigheid van handelen en belangrijke algemene hbo-competenties als professionaliteit en innovatievermogen. Operatieassistenten hebben een cruciale rol in het operatieve proces. Bij deze zorg bestaat een grote kans op fouten met soms zeer ernstige consequenties voor de patiënt. Tevens voeren ze naast verpleegkundige en technische handelingen ook medische handelingen uit. 
 
Waarom een BIG-aanvraag? 
 
Door de constante ontwikkelingen op technologisch, medisch en zorginhoudelijk gebied zijn de taken en de benodigde kennis van operatieassistenten complexer en gespecialiseerder geworden, en krijgen ze steeds meer verantwoordelijkheden. Door taakverschuivingen en deze technologische ontwikkelingen nemen operatieassistenten steeds meer taken over van specialisten. Operatieassistenten verrichten zelfstandig heelkundige en voorbehouden handelingen, zoals introduceren van een trocar bij laparoscopische operaties/robotchirurgie, plaatsen van klemmen, clips en of autosuture op organen, blaaskatheterisatie, aanleggen van bloedleegte en röntgendoorlichting. Soms worden zelfs kleine operaties uitgevoerd, zoals het uitnemen van venen. En ook gedeelte van een operatie, zoals bijv. het verwijderen van huid en hechten van subcutis/ huid bij operaties terwijl de operateur hier niet meer bij aanwezig is. Deze handelingen worden in de praktijk nu wel uitgevoerd door de operatieassistent, maar ze zijn bij wet niet goed geregeld en geborgd. 
 
De LVO heeft meermaals overleg gehad (in 2013, 2015, 2017 en 2019) met het ministerie in verband met de vraag hoe kunnen we dit regulariseren. In 2019 heeft minister Bruins aangegeven dat hij onderschrijft dat operatieassistenten een belangrijke rol vervullen in de operatieve zorg, waarin risicovolle handelingen en technologische ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. Opname van een nieuw beroep in artikel 3 van de Wet BIG vraagt om een wetswijziging. 
 
Vanwege de patiëntveiligheid en bescherming van het beroep ziet de LVO een BIG-registratie als noodzakelijk. Daarnaast moet een kwaliteitsregister naast bescherming van het beroep ook ondersteuning bieden voor het bewaken van de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar.
 
Er is een aanvraag gedaan voor een BIG-registratie volgens artikel 3 voor functionele zelfstandigheid voor enkele voorbehouden handelingen tot het verrichten van heelkundige handelingen (hierbij kun je denken aan coaguleren, doornemen van structuren, knopen/hechten, boren etc., katheterisaties, injecties, puncties en defibrillatie). Voor functionele zelfstandigheid is gekozen omdat de operatieassistent namelijk wel zelfstandig, maar altijd in opdracht van de specialist of indirect via protocol, de handelingen uitvoert.
 
Achtergrond Wet BIG
 
Sinds 1997 is de Wet BIG van kracht en is de beroepsmatige uitvoering van de individuele gezondheidszorg in principe vrij voor iedereen. Het uitgangspunt van de Wet BIG dat een beroep niet wordt opgenomen tenzij dit noodzakelijk is om patiënten adequaat te beschermen tegen onzorgvuldig en/of ondeskundig handelen. In de volksmond wordt dit vaak het ‘nee, tenzij’-principe genoemd. Om deze reden zijn de meeste beroepen in de individuele gezondheidszorg niet opgenomen in de Wet BIG. 
 
Met dit uitgangspunt in gedachten is de doelstelling van de Wet BIG tweeledig: 1) het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening, en 2) het beschermen van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg.
 
Criteria opname Wet BIG
 
Een beroep kan op verschillende manieren worden opgenomen in de Wet BIG. Er is het zogenaamd ‘zware regime’ (artikel 3 beroepen) en het ‘lichte regime’ (artikel 34 beroepen). Ook is het mogelijk een beroep bij wijze van experiment tijdelijk op te nemen in de Wet BIG middels het ‘experimenteerartikel’ (artikel 36a beroepen). 
 
Voor beroepen in het ‘zware regime’ (artikel 3) geldt een beschermde beroepstitel, is het tuchtrecht van toepassing en is het mogelijk om een zelfstandige bevoegdheid voor voorbehouden handelingen toe te kennen. Deze beroepsgroepen zijn verplicht zich elke vijf jaar te (her)registreren in het BIG-register. Voorbeelden van beroepen in het ‘zware regime’ zijn: artsen, apothekers en verpleegkundigen. 
 
Voor beroepen in het ‘lichte regime’ (artikel 34) geldt alleen een beschermde opleidingstitel. Voorbeelden van beroepen in het ‘lichte regime’ zijn: diëtisten, huidtherapeuten en radiodiagnostisch laboranten. 
 
Voor beroepen in het ‘experimenteerartikel’ (artikel 36a) geldt dat zij tijdelijk zijn opgenomen in het BIG-register in het kader van taakherschikking voor een periode van vijf jaar. Tijdens deze periode vindt er een onafhankelijk evaluatieonderzoek plaats om te bepalen of het beroep definitief moet worden opgenomen in het ‘zware regime’ (artikel 3 van de Wet BIG). Voorbeelden van beroepen waarmee momenteel geëxperimenteerd wordt zijn: bachelor medisch hulpverlener en mondhygiënist.
 
Voor opname van een beroep in de Wet BIG (artikel 3, 34 of 36a) moet in ieder geval aan drie criteria worden voldaan, waarbij verschillende overwegingen van toepassing zijn. 
 
De criteria zijn: 
  1. Is het beroep gericht op de individuele gezondheidszorg? 
  2. Is het beroep een basisberoep en is het voldoende onderscheidend?
  3. Is wettelijke regulering van het beroep noodzakelijk om patiënten adequaat te beschermen?
Voldoet een beroep aan deze criteria, dan vindt daarna een afweging plaats of het beroep in aanmerking komt voor opname in het ‘lichte‘of in het ‘zware regime’. 
 
Het Zorginstituut adviseert de minister van Medische Zorg en Sport of een beroep voldoet aan de criteria. Voor meer informatie over de criteria en de overwegingen die daarbij van toepassing zijn zie: https://www.zorginstituutnederland.nl/over-ons/werkwijzen-en-procedures/....
 
Overzicht van wat de Wet BIG regelt
 
Overzicht criteria Wet BIG (LVO)
 
 
Wat zijn de rol en de werkwijze van het Zorginstituut? 
 
Het Zorginstituut is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) en heeft een wettelijk opgedragen takenpakket. Sinds 2018 adviseert het Zorginstituut de minister van Medische Zorg en Sport (MZS), op verzoek, over het opnemen van beroepen in de Wet BIG. Het Zorginstituut heeft hiervoor een speciaal team geformeerd. 
 
Een verzoek voor opname van een beroep moet door een beroepsvereniging formeel worden ingediend bij de minister. De minister vraagt vervolgens het Zorginstituut om het verzoek te beoordelen aan de hand van de beleidslijn van VWS (zoals hierboven beschreven) en hierover een advies uit te brengen. Door middel van werkbezoeken, gesprekken met experts en aanpalende partijen en het verrichten van (literatuur)onderzoek bekijkt het Zorginstituut in hoeverre voldaan wordt aan de criteria. Een conceptadviesrapport wordt voorgelegd aan de aanpalende partijen (waaronder de verzoekende partij), waarna het adviesrapport definitief wordt vastgesteld. Er geldt geen wettelijke termijn, maar het Zorginstituut streeft ernaar een advies binnen acht maanden uit te brengen. 
 
De minister beslist vervolgens of het advies wordt overgenomen. Indien de minister beslist om een beroep op te nemen in de Wet BIG, zal er een wetstraject (wetswijziging) worden ingezet. Dit kan enkele jaren duren. 
 
Toekomstvisie Wet BIG
 
In december 2019 heeft de minister aangekondigd om, samen met de veldpartijen, te verkennen in hoeverre de Wet BIG toekomstbestendig is. De minister heeft hiervoor een stuurgroep in het leven geroepen. Het doel van de stuurgroep is om te komen tot een langetermijnvisie op de Wet BIG. De minister wil de Tweede Kamer hierover na de zomer van 2020 verder informeren.
 
Nieuwe verzoeken voor opname van beroepen in de Wet BIG worden hierdoor vooralsnog opgeschort, met uitzondering van die verzoeken waarvan de minister het Zorginstituut al heeft gevraagd om een advies. Dit betreffen in totaal zes verzoeken, waarvan het verzoek van de LVO er een is. 
 
Relatie verzoek LVO met Evaluatieonderzoek BMH
 
Het evaluatieonderzoek m.b.t. de inzet van de bachelor medisch hulpverlener (BMH) en het advies van het Zorginstituut over het verzoek van de LVO om de operatieassistent op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG staan los van elkaar. 
 
De BMH is, voor een periode van vijf jaar, opgenomen in de Wet BIG. Gedurende deze periode loopt er een onafhankelijk evaluatieonderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het toekennen van een zelfstandige bevoegdheid aan de BMH voor het uitvoeren van enkele voorbehouden handelingen. Indien het evaluatieonderzoek uitwijst dat het doeltreffend en doelmatig is, kan de BMH definitief worden opgenomen in de Wet BIG. Het evaluatieonderzoek wordt uitgevoerd door het Maastricht UMC+.
 
BMH’s met het uitstroomprofiel ‘operatieve zorg’ worden vaak ingezet als operatieassistent. Het onderzoeksteam wil daarom data verzamelen bij operatieassistenten om deze te kunnen extrapoleren naar de BMH met het uitstroomprofiel operatieve zorg. Om deze reden heeft het LVO verschillende oproepen gedaan mee te werken aan het evaluatieonderzoek, aangezien we in de praktijk dezelfde taken uitvoeren. De BMH’s operatieve zorg worden ook tijdens hun stage begeleid door een operatieassistent.
 
Wat is de huidige status van de BIG-aanvraag?
 
In mei 2017 heeft de LVO formeel een verzoek ingediend bij de minister. In april 2019 heeft de minister het Zorginstituut gevraagd het verzoek te beoordelen en hierover te adviseren. In mei, september en december 2019 is er overleg geweest tussen het Zorginstituut en de LVO. In januari 2020 heeft er nog een gesprek plaatsgevonden en heeft de LVO haar verzoek aangevuld. 
 
In februari 2020 is het Zorginstituut officieel begonnen met het adviestraject. Dit bevindt zich nu in een opstartfase, waarin werkbezoeken en gesprekken met aanpalende partijen worden ingepland. Ook is begonnen aan het (literatuur)onderzoek en het verzamelen van achtergrondinformatie. In dat verband was het Zorginstituut ook aanwezig op het LVO-congres. 
 
Impact coronacrisis
 
Door de coronacrisis is het aannemelijk dat het adviestraject vertraging oploopt. Zo zijn geplande werkbezoeken afgelast en is het moeilijker om gesprekken met aanpalende partijen te organiseren. Samen met de LVO bekijkt het Zorginstituut wat wel mogelijk is. Het Zorginstituut streeft er nog steeds naar om het adviesrapport in het najaar van 2020 uit te brengen aan de minister. 
 
Heb je vragen?
 
Neem dan contact op met beroepsbelang@lvo.nl.
Voor meer achtergrondinformatie: 
 
 
Tekst: Nicole Dreessen en Marja Versantvoort
Foto’s: Ivonne Zijp
 

Dit artikel is gepubliceerd in Operationeel nummer 2 2020 (verschijningsdatum 26 juni).